Klantenservice:020 6381458
   email:
info@pen-plus.nl
 

 
 
 

 
 

              
 
Winkelwagen
Inhoud: 0 items
HomeNew producsSpecialsMy accountContact us
Hoofdmenu
Zoeken
Zoeken:
 
Informatie
     Asia Direct Service
     Dreamflyer bijsluiter
     Druk Informatie
     PMS nummers
     Prijslijst Bewerken
     Schrijven toen en nu
     Tell a Friend
     Bezorgen
     Over ons
     Betalen
     Contact
     Algemene Voorwaarden
     Privacy Beleid
     Cross Geschiedenis
     Waterman Geschiedenis
     Parker Pen Geschiedenis
     Sitemap

Nieuwsbrief

  Schrijf je nu in en
  ontvang onze nieuwsbrief

   Email Adres:
    

 
    Maand aanbieding

 

 


   » Home » Schrijven toen en nu

De geschiedenis van het schrijven is de geschiedenis van onze beschaving. Daarom is het verhaal verweven met de elementen die het genoegen, het vakmanschap en de technologie markeren waarmee de mens zijn schrijfvaardigheid heeft verrijkt.

Het begin van het alfabet


 De eerste door de mens gemaakte "boekstavingen" zijn de verbluffende afbeeldingen die in de grotten vanLascaux in Frankrijk en die van Altamira in Spanje gevonden zijn. Die zijn tenminste 35.000 jaar oud.

 

De taal van deze primitieve mensen moet zeer rudimentair geweest zijn en ze hebben waarschijnlijk helemaal geen behoefte gevoeld om een manier te ontwikkelen om die taal schriftelijk te uiten. Deze schitterde afbeelding is te vinden in de grotten van Altamira in Spanje

Het eerste stelsel van tekens dat we schrift kunnen noemen, is aangetroffen in de landen waar de mens voor het eerst de vaardigheden van de landbouwer begon te leren, de Sumerische nederzettingen in het vruchtbare Tweestromenland zo'n 5.500 jaar geleden.
Dit opmerkelijke volk ontwikkelde een bloeiende en stabiele beschaving die bijna 2000 jaar voortduurde. Hun schrift wordt spijkerschrift genoemd op grond van de scherpe wigvorm die ontstond doordat er met een stok steek-moeten gemaakt werden in een tablet van vochtige klei dat vervolgens werd gebakken.

De meest embryonale schriftsoort neemt de vorm aan van een reeks aaneengeregen beelden die samen een verhaal vertellen of een mededeling doen. Het volgende stadium is het terugbrengen van de afbeeldingen tot een meer gestileerde vorm zodat ze snel getekend kunnen worden. Er moesten tekens bedacht worden om abstracte voorstellingen zoals licht of tijd weer te geven. De Sumeriërs gebruikten bijvoorbeeld hun afbeeldingen van de Zon om niet alleen het woord Zon zelf weer te geven maar ook de denkbeelden "dag" en "tijd". Wij gebruiken dit soort beeldschrift nog altijd -de internationale verkeersborden zijn er bekende voorbeelden van. De Sumeriërs hadden op zijn minst 2000 beeldtekens die te grof waren voor het neerschrijven van ingewikkelde denkbeelden of verhalen, en zo kwamen zij op de gedachte dat een teken dat met een bepaald geluid geassocieerd werd, gebruikt kon worden voor een ander voorwerp met een soortgelijke klank. Dit "fonetische" principe betekende een geweldige stap voorwaarts en is feite nog altijd de basis van de huidige schrijftaal.

Een bruikbaar alfabet

De oude Egyptenaren wier beschaving niet lang na die van de Sumerische buren begon, ontwikkelden een schriftstelsel langs soortgelijke wegen, hoewel het er heel anders uitzag. Het begon als Hiëroglyfische (hetgeen betekent "gewijd graveerschrift") en overleefde later als schrijftrant voor formele en religieuze inscripties nog lang nadat de latere twee stadia, bekend als hiëratisch (priesterlijk en demotisch (volks-) schrift, eruit ontwikkeld waren.
De Egyptenaren gingen nog verder en schiepen een reeks van 24 symbolen die elk een medeklinker weergaven, waardoor een bijna volledig, bruikbaar alfabet kragen. Toch maakten ze, wonderlijk genoeg, nooit uitputtend gebruik van dit veel eenvoudiger alfabet en bleven ze er de hiëratische en demotische symbolen doorheen mengen, als om de betekenis te "versterken".
De Feniciërs deden rond 1100 v.Chr. hun intrede en de daarop volgende 400 jaar dreven ze handel, koloniseerden ze en stichten ze nederzettingen in het hele Middellandse Zeegebied. Hun alfabet is een essentieel element in het verhaal van het westerse schrift, want de beginselen en veel van de vormen hiervan werden op schaal door de oude Grieken overgenomen.
Zelf hadden ze het opgebouwd uit vele bronnen, waaronder het Babylonische spijkerschrift(overgeleverd door de Sumeriërs), de Egyptische Hiëroglyfen en het Minoïsche lineair-A-schrift, waarbij ze dikwijls de "letters" van andere stelsels vereenvoudigden. Van hun alfabet sloeg elk symbool op een klank en de lettervormen waren eenvoudig en duidelijk zonder enig verband te herkennen met hun "beeldende" voorouders. Het was dermate geslaagd dat het niet alleen de grondslag vormde voor het oude Griekse schrift maar zijn invloed ook verder naar het oosten verbreidde, en het nu de oorsprong is van het Hebreeuwse en Arabische en andere schriften in Perzië, India en Azië.

Het Latijnse alfabet

De Grieken hadden, voortbordurend op het Fenicische alfabet van 24 symbolen, tegen 403 v.Chr. een praktisch schriftstelsel ontwikkeld, het zogenaamde ionische schrift, dat in wezen alle grondbeginselen van ons eigen alfabet bezat. De oudste voorbeelden die we van Grieks schrift hebben, gegraveerd in steen en geschilderd op aardewerk, zien er strak geometrisch uit, met zorgvuldige spatiering van de letters. Later werden de letters, in de handgeschreven inscripties, veel ongedwongener en meer afgerond, en ontwikkelden ze zich tot verschillende cursieve schriftstijlen die gemakkelijker en sneller te hanteren waren.

De Romeinen assimileerden het Griekse alfabet en pasten het aan. Twaalf Griekse tekens werden met nauwelijks enige wijziging overgenomen; zeven werden er opnieuw gemodelleerd en aangepast om de letters O G L S P R en D te worden; en de letters V,F en Q werden ontleend aan de letters die in het Grieks in onbruik waren geraakt.

Vanaf dat tijdsstip bleven beide talen en alfabetten naast elkaar bestaan, want toen Griekenland een deel werd van het Romeinse Rijk in 146 v.Chr., bleef het Grieks niet alleen voortbestaan in Griekstalige landen maar ook de taal der geleerden in het rijk. Maar door de enorm geslaagde kolonisatie der Romeinen van de hele westelijke wereld, en doordat zij het grootste rijk stichtten dat de wereld ooit gekend heeft, was het hun Latijnse taal en hun Romeinse alfabet die in heel Europa ingang vonden; en het is dan ook dit alfabet (met maar een paar kleine veranderingen) dat wij nog altijd gebruiken.

De eerste schrijfbehoeften

Eerste pen en papier

De meest primitieve manier om schrifttekens te maken, is om ze met stokken of scherpe stenen in rotsvlakken te krassen; en er moeten duizenden jaren in de geschiedenis verstreken zijn voordat de vroegere mens leerde om gereedschappen te maken die speciaal dit doel dienden. De Sumeriërs begonnen ermee een schrijfoppervlak te maken, het gladde kleitablet waarin ze hun typische spijkerschrifttekens staken met een puntig geslepen stok. Deze schakel tussen schriftvorm en de materialen om het schrift te produceren, kan in de hele geschiedenis der alfabetten worden gevonden. De oude Egyptenaren, die heel andere materialen gebruikten - het rietpenseel en een schrijfvlak van papyrusplant gemaakt - ontwikkelden een serie schrijftekens die zich veel beter leenden voor deze vrij bewegende materialen. De penseel-pen werd gemaakt van een kortstelige soort bies (luncus maritimus) waarvan het ene eind zacht en tot franje gehamerd werd. De pen neemt de inkt op en laat deze vanzelf afgeven op het schrijfoppervlak, vrijwel net zoals een moderne vezelpunt-pen; en al naar de manier waarop de franje was bijgewerkt, kon de pen gebruikt worden om dunne of dikke lijnen te tekenen.
Papyrus werd gemaakt van de Cyperus papyrus, een plant die overvloedig in de Nijl-bekken groeide in vroegere tijden. Flinterdunne schijfjes van de stengels werden naast elkaar in lagen gelegd die recht op elkaar stonden, en dan stevig in elkaar gehamerd en geperst. Terwijl de sappen van de plant droogden, kleefden ze de lagen aan elkaar en zo ontstond er een ruw, papierachtig blad. De inkt, die zo stabiel was dat de dichtheid ervan behouden is gebleven gedurende duizenden jaren op papyri die de tand destijds doorstonden, werd gemaakt van fijn roet dat met water en een bindmiddel zoals gom werd gemengd; de rode inkt werd op dezelfde manier gemaakt met behulp van één van de natuurlijke rode oxiden der aarde.

Griekse vulpen

Verschillende belangrijke fasen van technische vooruitgang in schrijfapparaten werden bewerkstelligd door de oude Grieken. Zij vonden een riet-pen uit die heel wat veelzijdiger en duurzamer was dan het Egyptische rietpenseel, en waarvan de punt vierkant of fijn geslepen kon worden voor verschillende lettervormen. Hij werd gemaakt van een andere rietsoort, de Phragmytis communis die met zijn harde schil en holle stengel enigszins op bamboe lijkt. De pen werd soepel gemaakt door er een fijne spleet in te maken, zoals bij moderne vulpennen, waardoor de inkt in de holle steel kon worden opgeslagen en gelijkmatig op het schrijfoppervlak kon vloeien. Hen wordt eveneens de eer gegeven van de uitvinding van het perkament dat van schapenhuid gemaakt werd, hoewel hun voornaamste daad waarschijnlijk was dat ze de technieken om te looien en te bereiden verbeterden. Papyrus bleef niettemin het voornaamste schrijfmateriaal dat door de Grieken en Romeinen werd gebruikt.

Het boek

Rollen van perkament of papyrus werden de traditionele vorm van boeken en documenten in de Romeinse tijd, en het is onzeker wanneer het boek zoals wij het kennen, voor het eerst verscheen. De groei van zijn populariteit viel vermoedelijk samen met de verbreiding van het christendom na 313 n.Chr.; en het vroegst, bewaard gebleven Griekse boek, de Codex Sinaiticus, is zeker een christelijke bijbel van rond de 4de eeuw.
Het feit dat hij werd aanvaard, is beslist mede te danken aan het bestaan van perkament dat, in tegenstelling tot papyrus, in scherpe plooien kan worden gevouwen zonder te breken, en dat in gevouwen toestand aan beide zijden beschreven kon worden. Het denkbeeld van het boek bestaat al bijna a1 1700 jaar en is als draagbaar en feilloos " systeem om informatie terug te vinden" nooit verbeterd.

 De veer

Ook perkament met zijn gladde oppervlak dat zo bevorderlijk is voor fijne, kleine letters, heeft waarschijnlijk bijgedragen tot de ingang van de penneveer, gemaakt van de sterkte vleugelpennen van een gans of een andere grote vogel. Een veer is taaier dan een gespleten riet - in samenstelling verschilt hij niet veel van een menselijke vingernagel - en hij kan kleine letters heel fijn schrijven gedurende tamelijk lange perioden zonder bijgeslepen te worden. De ganzenpen werd al gauw het meest gewilde en algemeen gebruikte schrijfinstrument en bleef tot de massaproductie van de stalen pen in de 19de eeuw.

De Schriftvormen

Romeinse letters

De Romeinen ontwikkelden een serie alfabetten die beantwoordden aan de behoeften van elk levensaspect. Bovenaan staat de majestueuze capitalis monumentalis. Voornamelijk ontworden voor gebruik bij inscripties.
De formele kapitaalalfabetten leenden zich niet voor snel schrijven met de hand en er werd een sneller neergeschreven cursieve hoofdletter van afgeleid, gevolgd door een minuskelversie met verbindingslussen boven en onder de schrijflijn. De formele capitalis monumentalis volgde de Griekse regel om de lettervormen te baseren op een geometrisch raamwerk van vierkant, en de cirkels en halve cirkels die erin passen. Tegen de 1ste eeuw n.Chr. waren al deze schrijfstijlen in heel het Romeinse Rijk universeel geworden.

Verluchting door kloosterlingen


 

Het portret van de middeleeuwse monnik Eadwine, met ganzepen in zijn rechterhand en een pennenmesje (om de veer te scherpen) in zijn rechterhand, verklaart in de inscriptie rondom dat hij "De prins der schrijvers" is.

 

 

Na de ondergang van het Romeinse Rijk was het de christelijke kerk die de schrijfkunst levend hield. Vooral het Ierse kloosterleven droeg sterk bij tot de conservatie en bevordering van het christelijke alfabetisme in Noord-Europa; en we kennen een typische Ierse half-unicale lettervorm die gebruikt werd om de Evangeliën over te schrijven, waarin niet alleen de Romeinse herkomst te herkennen is maar ook nieuwe invloeden - zoals de geheimzinnige toversymbolen van de Teutoonse runen.

Karolingische minuskel

Naast de uncialen en half-unicialen uit de verschillende Europese centra van geleerdheid kwam er tevens een wirwar van landelijke schriften op.
Dergelijke nationale idiosyncrasieën zouden wellicht hebben blijven bestaan en steeds apartere alfabetische stijlen hebben geproduceerd, ware er niet de krachtige, éénmakende macht die werd uitgeoefend door keizer Karel de Grote (742-814) die, over het grootste Europese rijk sinds de ondergang van het Romeinse rijk regeerde. Hijzelf was niet alleen een volmaakt staatsman en legerbevelhebber maar hij was ook hartstochtelijk toegewijd aan de zaak van het Christendom en de Romeinse beschaving, en vastbesloten om de bijna vergane Romeinse kunsten van wetenschap en cultuur nieuw leven in te blazen. Tot de grote reeks van zijn prestaties op cultureel gebied, door zijn schrijvers, ten behoeve van het kopiëren en herschrijven van klassieke teksten, van een nieuwe schrijfstijl van een grote helderheid en eenvoudige schoonheid, bij ons bekent als de Karolingische minuskel.

Gotisch schrift

Langzamerhand werden er variaties gemaakt op de lettervormen van de Karolingische minuskel, dikwijls uit economisch belang, en het zeer gecomprimeerde en hoekige gotische schrift dat tegen de 13de eeuw was verschenen, leek nog slechts in weinig opzichten op zijn voorganger. Een compacte lettervorm kan het doen met amper een derde van de ruimte van een ronde letter op het kostbare perkament of vellum, en kan gemakkelijker te schrijven zijn, methodischer en gelijkmatiger.

Cursieven

Uit de stadsdelen en republieken van Italië trok de Renaissance op, en daar zou een nieuwe schrijftrant het gotische schrift gaan verdringen. In de jaren 1390 ontwikkelde Poggio Bracciolini een boekletter op grond van Karolingische principes, die bekend werd als "littera antique" en algemeen aanvaard werd voor het afschrijven van klassieke teksten. In luttele decennia hadden de nieuwe "humanistische" schrijfwijzen het gotisch vrijwel in heel Europa verdrongen (Al overleefde dit in een gewijzigde vorm tot de 20ste eeuw in Duitsland); en de apart gevormde, afgeronde Karolingische letters werden geleidelijk veranderd in een ovale cursieve, "lopende" versie die we nu cursief noemen - een voortreffelijk leesbaar, gelijkmatig en praktisch schrift dat nog altijd wordt beschouwd als het hoogtepunt in de geschiedenis van het westerse schuinschrijven.

Papier en inkt

 De oude Egyptische uitvinding, papyrus, van meer dan 5000 jaar geleden, bleef het meest verbreide praktische schrijf-"papier" gedurende de oudheid. Leer was ook van ouds her gebruikt (de Dode-Zeerollen zijn waarschijnlijk 's werelds beroemdste leren documenten) en de bereiding ervan tot perkament (schapenvel) en vellum (kalfshuid) was door de Grieken veredeld.
De huid wordt eerst in ongebluste kalk gedoopt en haar en vlees worden er afgekrabd, waarna hij strak over een raam getrokken wordt, bedekt met krijt om overtollig vet te verwijderen, en vervolgens moet droegen. Na verder afkrabben met een maanvormig mes wordt de huid van het raam genomen en op maat gesneden. Het perkament kan aan weerszijden beschreven worden en is veel soepeler en duurzamer dan de broze papyrus.

Thans is papier echter het universele schrijfmateriaal en de vroegste geschiedenis ervan is nog altijd in duister gehuld. Het werd uitgevonden in China, misschien ergens rond 100 n.Chr., en eeuwen lang werd het fabrieksgeheim angstvallig bewaard. Tegen de 8ste eeuw evenwel was de techniek bekend geworden in de islamitische wereld, al was fabricage en gebruik ervan pas tegen de 15de eeuw wijdverbreid.

Papier kan worden gemaakt van de meeste plantaardige vezelmaterialen, maar na enig experimenteren hielden de Chinezen het in hoofdzaak bij geweekte linnen vodden die gereinigd, gebleekt en tot brij vermalen werden en daarna gemengd met water en tarwebloempasta. Deze waterige, met vezels gevulde soep werd vervolgens op een vlak, met gaas bedekt raam geschept zodat het overtollige water wegzakte en er een gelijkmatige "mat" van in elkaar verstrengelde vezels achterbleef op het gaaswerk. Dit vel werd er af geplukt, geperst en gedroogd. De Europese papierfabricagetechnieken leken hier sterk op, hoewel er geleidelijk verbeteringen in werden aangebracht.

Bij de moderne papierfabricage worden grotendeels dezelfde beginselen gevolgd. De meest voorkomende bronnen van het vezelachtige grondmateriaal dat voor alle papiersoorten nodig is, zijn houtpap, vodden (inclusief ruw katoen) en oud papier en elk daarvan draagt individuele eigenschappen bij aan het gerede papier. Zo produceert zachthout-pulp bijvoorbeeld lange vezels die het papier sterk maken terwijl hardhout korte vezels met minder sterkte produceert die echter meer consistentie en volume geven. Vulmiddelen, lijm en kleurstoffen worden toegevoegd om een grote verscheidenheid van afzonderlijke kwaliteiten, structuren en gewichten te krijgen.

De eersten inkten waren een combinatie van een soort koolstof (doorgaans fijn roet zoals lampzwart) met water en gom of lijm. Een bekender mengsel uit de middeleeuwen en daarna (al was het gebruik sinds op z'n minst de 12de eeuw) werd gemaakt van galluszuur, een kristallijnen substatie die uit galappels wordt verkregen, de gezwellen op eikenbomen die teweeg gebracht worden door de eitjes die de galwesp op de bast legt. Het zuur werd met water uit de gedroogde galappeltjes geweekt en gemengd met een oplossing van ijzerzouten die de kleurloze vloeistof purperachtig zwart maakten. Dit verbleekte soms tot de bruine kleur die we aantreffen in oude verluchte manuscripten zoals het Books of Kells. Moderne schrijfinkten zijn oplossingen van synthetische kleurstoffen, waaraan soms ijzerzouten en zouten van andere metalen worden toegevoegd om ze permanent te maken. Ze bevatten ook een hele reeks andere toevoegingen zoals fungiciden om biotische ontwikkeling in de inktpot of het penreservoir te voorkomen, chemicaliën om corrosie van de metalen delen van de pen tegen te gaan en oppervlakteactieve stoffen om het vloeien van de inkt tegen te gaan of te bevorderen. Voor balpennen worden inkten gebruikt die speciale sneldrogende eigenschappen bezitten evenals een uitzonderlijke viscositeit en permanentie. Deze bevatten vaak tien of meer ingrediënten en zijn wel iets anders dan het oude, eenvoudige mengsel van roet, water en gom dat hun stamvader is.

Machinaal schrijven

Het drukken

De beroepsschrijvers - tekenaars uit de middeleeuwen waren in gilden en speciale onderwerpen georganiseerd, en daar alle boeken nog steeds met de hand werden geschreven, domineerden ze overal de kunst van het lezen en schrijven en wetenschap. In 1457 werden ze geconfronteerd met een dodelijke bedreiging van hun status en bestaan - want in dat jaar verscheen in het Duitse Mainz het eerste Europese mechanisch gedrukte boek, als ontwikkeling van de uitvindingen van Johannes Gutenberg. Er waren al enige tijd proeven genomen met het drukken in Europa, om te beginnen met het overbrengen van de ontwerpen van een kalligraaf, in spiegelbeeld, op een glad blok hout. Het hout rond de lettervormen werd weggesneden, er werd inkt aangebracht op het overblijvende oppervlak van de letters, en papier of vellum werd op het geïnkte oppervlak gedrukt. Maar het werkdat er kwam kijken bij het uitsnijden van voldoende letters om een heel boek te maken, bleef kolossaal. Gutenbergs voornaamste verrichting was een methode te bedenken om, letters in metaal te gieten zodat ze in grote hoeveelheden konden worden geproduceerd van één stempel. Elke letter werd in spiegelbeeld in een stalen letterstempel gegraveerd die op zijn beurt in een stuk zacht koper geslagen dat onderin een houten vorm geplaatst was. Daarna werd er gesmolten metaal in de vorm gegoten en als dit was afgekoeld, kwam er een volmaakte omgekeerde reproductie van de letter in reliëf tevoorschijn. Met één vorm konden er duizenden identieke exemplaren van de letter worden vervaardigd.
Al gauw introduceerde William Caxton de nieuwe druktechniek in Engeland, opende in 1475 te Westminster een drukpers en produceerde Engelse vertalingen van klassieke werken.

Koperplaat

Aanvankelijk probeerden de tekenaars met de pen gevormde letters na te bootsen, maar hiervoor waren te veel, slechts weinig verschillende tekens nodig en daarom maakten de letterstempel-graveurs ontwerpen die gegraveerd waren in stenen monumenten van het oude Rome.

 Een nieuwe drukprocédé, de koperplaatgravure die gereproduceerd werd via de intaglio-techniek die in het begin van de 15de eeuw ontwikkeld was als een manier om illustraties te reproduceren, was de meesters zeer behulpzaam bij het presenteren van hun individuele aanbiedingen en bij het decoderen hiervan; en na verloop van tij d leidde het tot de opkomst van die heel eigen handschriftstijl die in heel Europa werd overgenomen en zo'n 400 jaar overheerste en die ook wel "koperplaathandschrift" genoemd wordt.
Intaglio of diepdruk is het tegenovergestelde van het drukken van een reliëfblok: het ontwerp wordt in een vlakke gepolijste koperplaats gegraveerd, inkt wordt er overheen gesponsd en van het oppervlak afgeveegd (zodat hij alleen in de groeven achterblijft), en als bevochtigd papier op de plaat gedrukt wordt, neemt het een uiterst scherpe en getrouwe weergave van zelfs de allerdunste gegraveerde lijnen op. 

De zorgvuldig versierde krulletters en ronde vormen met hun "dik en dun" die uit dit procédé ontstonden, hebben veel te danken aan de werkwijze van de graveur. Om deze vormen te kopiëren, moest de schrijver een pen met een smalle punt gebruiken die soepel genoeg was om de druk van zijn hand te reageren, en moest hij de vormen nabootsen de gevergd werden door de voorbeeldafdrukken van de graveurkunst.

De ganzenpen was tot op zekere hoogte voor deze taken berekend. Ondertussen bleef lezen en schrijven nog beperkt tot zeer weinigen: sinds de 4de eeuw was de ganzenveer hèt schrijfgerei geweest voor schrijver en geleerde. Maar er moest voortdurend aandacht aan besteed worden en om te zorgen dat hij naar tevredenheid bleef werken.

Pennen

 Tegen het midden van de 18de eeuw schiepen de toegenomen aantallen geletterden een nieuwe vraag naar een eenvoudiger en duurzamer pen voor gebruik in zaken en op school. Diverse lieden eisen de eer op de eerste uitvinder van de metalen pen te zijn geweest, maar de uitvinding vond pas echt ingang in het jaar 1830 toen er gemechaniseerde pennenfabricagemethoden ontwikkeld werden, voornamelijk in de nieuwe industriestad Birmingham. Het was het begin van een enorme bedrijfstak, en de grote behoefte van het leren-lezen-en-schrijven onder het volk, de ontwikkeling van nieuwe reclametechnieken en prijsvoordelen van massaproductie hielpen allemaal mee aan de groei ervan. Pennen uit Birmingham, in elke denkbare vorm, werden in vrijwel ieder land ter wereld verkocht. Eén fabriek in Birmingham maakte en verkocht ruim 400 verschillende penmodellen tegelijk. Er waren herdenkingspennen, portretpennen, pennen met kogelpunten (een voorbode van wat komen ging) en pennen met namen die herinneringen opriepen zoals de beroemde "Pickwick", "Owl" en "Waverley".

De eerste moderne pennen

10de eeuwse vulpen

Er werden al in de 17de eeuw vele pogingen gedaan om de pen zijn eigen ingebouwde inktreservoir te geven. De eerste bekende vermelding van een vulpen gaat zelfs nog verder terug: de kalief Al-Mu'izz gaf zijn ambachtslieden in de 10de eeuw opdracht er één te maken. De pen waarmee ze tenslotte aankwamen, was van zuiver goud gemaakt, maar we weten niet hoe goed hij schreef. Het was pas in de 19de eeuw, die gouden eeuw van de mechanische uitvindingen, dat er vooruitgang geboekt werd in de constructie van een vulpen die een betrouwbare inktstroom leverde.

Het mechanische potlood

Tegelijkertijd maakte de toepassing van mechanische technieken dat het potlood weer een tijdje langer mee kon. Het potlood zoals wij dat nu gebruiken, werd uitgevonden in het midden van de 16de eeuw, na de ontdekking van 's werelds eerste commerciële grafietmijn in Cumberland in 1564. Het Engelse grafiet-kleimengesel was van zo'n zuivere kwaliteit dat het al gauw een verkoopbaar artikel en een welvarende industrie werd.

De hartstocht van het midden der 19de eeuw voor slimme mechanische vindingen deed weldra een overvloed van verschillende soorten vulpotloden ontstaan, gemaakt van zeer uiteenlopende materialen. In de eenvoudigste soorten zat de schrijfstift in een buisje met één eind strak in een metalen spiraal geduwd, die zelf verbonden was aan een schuifje buiten het buisje; en dit schuifje kon het hele buisje langs op en neer geschoven worden om de voor het schrijven benodigde lengte stift naar buiten te duwen. Tot de andere mechanismen behoorde een draaiend onderdeel van het buisje zelf dat een draaibaar staafje met schroefdraad binnenin in werking stelde, dat de stift opschoof. Bij een derde systeem hield een verend bekje aan de punt van het potlood de stift op zijn plaats. Dikwijls zat er ook een reservoir voor reservestiften in deze potloden alsmede een gommetje. De mechanismen in veel moderne vulpotloden zijn gebaseerd op precies dezelfde principes.

Constructie en technologie verbeten de vulpen

De eerste vulpenmodellen slaagden er intussen minder goed in de essentiële constructieproblemen te overwinnen: het verkrijgen van een "geregeld lek", een gelijkmatige inktvloeiing zonder "overstromingen". De meeste van die modellen werden gevuld door inkt in hun reservoirs te doen met een druppelaar. Er werden veel "zelfvullende" mechanismen ontworpen, waaronder diverse soorten zuigers in een luchtdichte cilinder, een rubber buisjes die met de hand of een hefboompje worden samengeknepen om de inkt in het reservoir op te zuigen.

Lewis Edson Waterman was de eerste (in 1884) die met een praktische vulpen kwam die zeer populair werd. George S. Parker die tegen de jaren '30 de toonaangever was geworden van de Amerikaanse vulpenindustrie, begaf zich al in het begin van de eeuw op dit terrein na gedwongen geweest te zijn de onbevredigende pennen te veranderen die geleverd werden aan zijn leerlingen aan de School voor Telegrafie in Janesville, Wisconsin. Tot 1924 werden de reservoirs van de meeste pennen gemaakt van een hard rubber dat zijn vorm en schroefdraad kreeg op een handbediende draaibank. In dat jaar kwam er echter een nieuwe kunststof beschikbaar in een groot aantal kleuren en combinaties, en dat had een grote uitwerking op het uiterlijk van pennen. Rond 1920 begonnen de fabrikanten tevens het verbijsterende scala aan uiteenlopende modellen te verkleinen. Zo bracht Parker zijn vierhonderd of meer modellen terug tot nog geen dertig toen hij in 1922 met zijn "Duofold" kwam. De meeste kwaliteitsschrijfbehoeften werden tegen die tijd gemaakt door de grote vier van de pennenindustrie: Waterman, Parker, Sheaffer en Wahl (de "Eversharp"). Er kwam geen fundamentele technische verbetering tot 1941 toen Parker zijn "51" introduceerde. Bij deze vulpen was de pen zelf gedeeltelijk bedekt door een speciaal kapje waardoor er een inkt gebruikt kon worden die een snel verdampend oplosmiddel bevatte, en zo schreef deze pen dus droog met een natte inkt. De andere fabrikanten volgden weldra met pennen die van soortgelijke principes uitgingen.

Modern schrijfgerei

Balpen

Hoewel de balpen in wezen een 20ste-eeuw verschijnsel lijkt te zijn, gaat zijn principe toch terug tot tenminste het jaar 1880, toen John L. Loud patent nam op een pen die bedoeld was als merkpen voor dozen en ruwe oppervlakken. Het voornaamste probleem bij de eerste pennen was een inkt te vinden met de juiste viscositeit; die moest minder vlot vloeien dan traditionele schrijfinkt. In 1945 kwam een industrieel uit Chicago, Middleton Reynolds, als eerste op de markt met een serie gemaakte balpen (hij was in staat om gebruik te maken van verbeterde methodes, voor de fabricage van kogellagers, ontwikkeld gedurende de Tweede Wereldoorlog); en rond vrijwel dezelfde tijd vond de Hongaarse vluchteling Laszio Biro in Argentinië zijn eigen versie uit. In beide gevallen was het mechanische principe heel eenvoudig: binnen in de punt die de ronde kogel vasthoudt, zitten piepkleine groefjes en kanaaltjes, en de inkt wordt onder druk of anderszins langs deze kanaaltjes toegevoerd naar het draaiende kogeltje. De inkten op oliebasis waren echter niet goed genoeg; ze droogden nooit helemaal op het papier en ze hadden de neiging om in fel licht te verbleken. Moderne verbeteringen hebben deze problemen overwonnen en bij de huidige balpennen zijn de inkten gebaseerd op oplosmiddelen van glycol of een mengsel van aromatische alcohols en veelbasische ethers. De zogenaamde "zwevende kogel" -pen is een mechanische verfijning van het balpen principe waarbij gebruik gemaakt wordt van moderne machinale-fabricagetechnieken, en is samen met de schrijfpunt en het inktreservoir een wegwerpartikel.

Vulpen

Ook vulpennen zijn sinds de jaren '40 ontwikkeld en verbeterd, vooral door de noodzaak om het nieuwere en goedkopere schrijfgerei de weg te versperren. De belangrijkste fabrikanten passen verschillende middelen toe om de aloude problemen op te lossen -lekken, overstromen, opdrogen - en de vulmethoden zijn sterk verbeterd. Veel pennen, hebben een eenmalig inktreservoir, een "patroon"; en bij sommige kan de eigenaar kiezen tussen deze methode of de meer traditionele tank die gevuld wordt door een vacuumdruksysteem, die op de plaats van het patroon kan worden gezet.

Vezelpunt

Een nieuwe pen die in de laatste vijftien jaar opkwam, is de viltpunt of vezelpunt, en er wordt een grote verscheidenheid van modellen gemaakt. In wezen belichamen ze een principe dat in niets verschilt van het rietpenseel der oude Egyptenaren; een absorberend materiaal (vaak een synthetisch polymeer waarvan de poreusheid nauwkeurig te regelen is) wordt gevuld met inkt die door capillaire werking naar de punt wordt getrokken. Net als het rietpenseel is de vezelpunt heel vlug op; en de betere kwaliteiten zijn- net als bij balpennen- opnieuw te vullen door een "refill" in de penhouder te doen die de hele schrijfeenheid bevat. Maar vezelpunten zijn nu heel gewild, zowel voor het gespecialiseerde tekenwerk als voor gewoon schrijven. Ze hebben een hechting aan het papier zoals de balpen nooit heeft gehad.

Naald

Tot het andere schrijfgerei dat voor industriële ontwerpen en ander artistiek werk wordt gebruikt, hoort de naaldpen, zoals bijvoorbeeld gemaakt door de Duitse firma rotring. Hij is voornamelijk bedoeld voor het trekken van fijne lijnen van gelijkmatige dikte. Hij heeft een stijve punt die bestaat uit een dun buisje met enigszins afgerond eind waar binnenin een fijn pennetje zit om de inktpatroon tegen te gaan.

Bij modern schrijfgerei worden er dus vier soorten vindingen gebruikt om de inkttoevoer te regelen. De eerste is de formulering van de inkt. Die kan dikker en viskeuzer gemaakt worden zoals bij balpennen, of van een vluchtige vloeistof op alcoholbasis die opdroogt bij contact met de lucht zoals bij vilt- of vezelpunt. Ten tweede: de opening waardoor de inkt ontsnapt, kan kleiner gemaakt worden, en moderne fabricage technieken hebben het mogelijk gemaakt openingen met microscopische mate van nauwkeurigheid te maken voor alle soorten pennen. Ten derde kunnen er slimme dingetjes in het reservoir gestopt worden om de oppervlakten te vergroten waarlangs de inkt moet gaan op zijn weg naar de punt, en om zodoende de snelheid der capillaire aantrekking te regelen. Deze methode wordt toegepast bij moderne vulpennen.
Tenslotte kan de inkt worden opgeslagen in een sponsachtig materiaal waarvan de poreusheid - en de snelheid waarmee het de inkt laat gaan - nauwkeurig berekend kan worden zoals in het geval van vezelpuntpennen. Maar ondanks alle geweldige technische verbeteringen gaan al onze moderne pennen in al hun verscheidenheid nog steeds uit van de principes van de schrijfstokken van onze voorouders.

Doorgaan
Product niet gevonden BEL: 020 6381458

 
Copyright @ 2009 www.pen-plus.nl  |  Privacy Beleid |    Algemene Voorwaarden