De geschiedenis van het schrijven is de geschiedenis
van onze beschaving. Daarom is het verhaal verweven met de elementen
die het genoegen, het vakmanschap en de technologie markeren waarmee de
mens zijn schrijfvaardigheid heeft verrijkt. Het begin van het alfabet
De eerste door de mens gemaakte "boekstavingen" zijn de verbluffende afbeeldingen die in de grotten vanLascaux in Frankrijk en die van Altamira in Spanje gevonden zijn. Die zijn tenminste 35.000 jaar oud.
De taal van deze primitieve mensen moet zeer rudimentair geweest zijn
en ze hebben waarschijnlijk helemaal geen behoefte gevoeld om een
manier te ontwikkelen om die taal schriftelijk te uiten. Deze
schitterde afbeelding is te vinden in de grotten van Altamira in Spanje
Het eerste stelsel van tekens dat we schrift kunnen noemen, is
aangetroffen in de landen waar de mens voor het eerst de vaardigheden
van de landbouwer begon te leren, de Sumerische nederzettingen in het
vruchtbare Tweestromenland zo'n 5.500 jaar geleden.
Dit opmerkelijke volk ontwikkelde een bloeiende en stabiele beschaving
die bijna 2000 jaar voortduurde. Hun schrift wordt spijkerschrift
genoemd op grond van de scherpe wigvorm die ontstond doordat er met een
stok steek-moeten gemaakt werden in een tablet van vochtige klei dat
vervolgens werd gebakken.
De meest embryonale schriftsoort neemt de vorm aan van een reeks
aaneengeregen beelden die samen een verhaal vertellen of een mededeling
doen. Het volgende stadium is het terugbrengen van de afbeeldingen tot
een meer gestileerde vorm zodat ze snel getekend kunnen worden. Er
moesten tekens bedacht worden om abstracte voorstellingen zoals licht
of tijd weer te geven. De Sumeriërs gebruikten bijvoorbeeld hun
afbeeldingen van de Zon om niet alleen het woord Zon zelf weer te geven
maar ook de denkbeelden "dag" en "tijd". Wij gebruiken dit soort
beeldschrift nog altijd -de internationale verkeersborden zijn er
bekende voorbeelden van. De Sumeriërs hadden op zijn minst 2000
beeldtekens die te grof waren voor het neerschrijven van ingewikkelde
denkbeelden of verhalen, en zo kwamen zij op de gedachte dat een teken
dat met een bepaald geluid geassocieerd werd, gebruikt kon worden voor
een ander voorwerp met een soortgelijke klank. Dit "fonetische"
principe betekende een geweldige stap voorwaarts en is feite nog altijd
de basis van de huidige schrijftaal. Een bruikbaar alfabet
De oude Egyptenaren wier beschaving niet lang na die van de Sumerische
buren begon, ontwikkelden een schriftstelsel langs soortgelijke wegen,
hoewel het er heel anders uitzag. Het begon als Hiëroglyfische (hetgeen
betekent "gewijd graveerschrift") en overleefde later als schrijftrant
voor formele en religieuze inscripties nog lang nadat de latere twee
stadia, bekend als hiëratisch (priesterlijk en demotisch (volks-)
schrift, eruit ontwikkeld waren.
De Egyptenaren gingen nog verder en schiepen een reeks van 24 symbolen
die elk een medeklinker weergaven, waardoor een bijna volledig,
bruikbaar alfabet kragen. Toch maakten ze, wonderlijk genoeg, nooit
uitputtend gebruik van dit veel eenvoudiger alfabet en bleven ze er de
hiëratische en demotische symbolen doorheen mengen, als om de betekenis
te "versterken".
De Feniciërs deden rond 1100 v.Chr. hun intrede en de daarop volgende
400 jaar dreven ze handel, koloniseerden ze en stichten ze
nederzettingen in het hele Middellandse Zeegebied. Hun alfabet is een
essentieel element in het verhaal van het westerse schrift, want de
beginselen en veel van de vormen hiervan werden op schaal door de oude
Grieken overgenomen.
Zelf hadden ze het opgebouwd uit vele bronnen, waaronder het Babylonische spijkerschrift(overgeleverd door de Sumeriërs), de Egyptische Hiëroglyfen en het
Minoïsche lineair-A-schrift, waarbij ze dikwijls de "letters" van
andere stelsels vereenvoudigden. Van hun alfabet sloeg elk symbool op
een klank en de lettervormen waren eenvoudig en duidelijk zonder enig
verband te herkennen met hun "beeldende" voorouders. Het was dermate
geslaagd dat het niet alleen de grondslag vormde voor het oude Griekse
schrift maar zijn invloed ook verder naar het oosten verbreidde, en het
nu de oorsprong is van het Hebreeuwse en Arabische en andere schriften
in Perzië, India en Azië. Het Latijnse alfabet
De Grieken hadden, voortbordurend op het Fenicische alfabet van 24
symbolen, tegen 403 v.Chr. een praktisch schriftstelsel ontwikkeld, het
zogenaamde ionische schrift, dat in wezen alle grondbeginselen van ons
eigen alfabet bezat. De oudste voorbeelden die we van Grieks schrift
hebben, gegraveerd in steen en geschilderd op aardewerk, zien er strak
geometrisch uit, met zorgvuldige spatiering van de letters. Later
werden de letters, in de handgeschreven inscripties, veel ongedwongener
en meer afgerond, en ontwikkelden ze zich tot verschillende cursieve
schriftstijlen die gemakkelijker en sneller te hanteren waren.
De Romeinen assimileerden het Griekse alfabet en pasten het aan. Twaalf
Griekse tekens werden met nauwelijks enige wijziging overgenomen; zeven
werden er opnieuw gemodelleerd en aangepast om de letters O G L S P R
en D te worden; en de letters V,F en Q werden ontleend aan de letters
die in het Grieks in onbruik waren geraakt.
Vanaf dat tijdsstip bleven beide talen en alfabetten naast elkaar
bestaan, want toen Griekenland een deel werd van het Romeinse Rijk in
146 v.Chr., bleef het Grieks niet alleen voortbestaan in Griekstalige
landen maar ook de taal der geleerden in het rijk. Maar door de enorm
geslaagde kolonisatie der Romeinen van de hele westelijke wereld, en
doordat zij het grootste rijk stichtten dat de wereld ooit gekend
heeft, was het hun Latijnse taal en hun Romeinse alfabet die in heel
Europa ingang vonden; en het is dan ook dit alfabet (met maar een paar
kleine veranderingen) dat wij nog altijd gebruiken. De eerste schrijfbehoeften Eerste pen en papier
De meest primitieve manier om schrifttekens te maken, is om ze met
stokken of scherpe stenen in rotsvlakken te krassen; en er moeten
duizenden jaren in de geschiedenis verstreken zijn voordat de vroegere
mens leerde om gereedschappen te maken die speciaal dit doel dienden.
De Sumeriërs begonnen ermee een schrijfoppervlak te maken, het gladde
kleitablet waarin ze hun typische spijkerschrifttekens staken met een
puntig geslepen stok. Deze schakel tussen schriftvorm en de materialen
om het schrift te produceren, kan in de hele geschiedenis der
alfabetten worden gevonden. De oude Egyptenaren, die heel andere
materialen gebruikten - het rietpenseel en een schrijfvlak van
papyrusplant gemaakt - ontwikkelden een serie schrijftekens die zich
veel beter leenden voor deze vrij bewegende materialen. De penseel-pen
werd gemaakt van een kortstelige soort bies (luncus maritimus) waarvan
het ene eind zacht en tot franje gehamerd werd. De pen neemt de inkt op
en laat deze vanzelf afgeven op het schrijfoppervlak, vrijwel net zoals
een moderne vezelpunt-pen; en al naar de manier waarop de franje was
bijgewerkt, kon de pen gebruikt worden om dunne of dikke lijnen te
tekenen.
Papyrus werd gemaakt van de Cyperus papyrus, een plant die overvloedig
in de Nijl-bekken groeide in vroegere tijden. Flinterdunne schijfjes
van de stengels werden naast elkaar in lagen gelegd die recht op elkaar
stonden, en dan stevig in elkaar gehamerd en geperst. Terwijl de sappen
van de plant droogden, kleefden ze de lagen aan elkaar en zo ontstond
er een ruw, papierachtig blad. De inkt, die zo stabiel was dat de
dichtheid ervan behouden is gebleven gedurende duizenden jaren op
papyri die de tand destijds doorstonden, werd gemaakt van fijn roet dat
met water en een bindmiddel zoals gom werd gemengd; de rode inkt werd
op dezelfde manier gemaakt met behulp van één van de natuurlijke rode
oxiden der aarde. Griekse vulpen
Verschillende belangrijke fasen van technische vooruitgang in
schrijfapparaten werden bewerkstelligd door de oude Grieken. Zij vonden
een riet-pen uit die heel wat veelzijdiger en duurzamer was dan het
Egyptische rietpenseel, en waarvan de punt vierkant of fijn geslepen
kon worden voor verschillende lettervormen. Hij werd gemaakt van een
andere rietsoort, de Phragmytis communis die met zijn harde schil en
holle stengel enigszins op bamboe lijkt. De pen werd soepel gemaakt
door er een fijne spleet in te maken, zoals bij moderne vulpennen,
waardoor de inkt in de holle steel kon worden opgeslagen en gelijkmatig
op het schrijfoppervlak kon vloeien. Hen wordt eveneens de eer gegeven
van de uitvinding van het perkament dat van schapenhuid gemaakt werd,
hoewel hun voornaamste daad waarschijnlijk was dat ze de technieken om
te looien en te bereiden verbeterden. Papyrus bleef niettemin het
voornaamste schrijfmateriaal dat door de Grieken en Romeinen werd
gebruikt. Het boek
Rollen van perkament of papyrus werden de traditionele vorm van boeken
en documenten in de Romeinse tijd, en het is onzeker wanneer het boek
zoals wij het kennen, voor het eerst verscheen. De groei van zijn
populariteit viel vermoedelijk samen met de verbreiding van het
christendom na 313 n.Chr.; en het vroegst, bewaard gebleven Griekse
boek, de Codex Sinaiticus, is zeker een christelijke bijbel van rond de
4de eeuw.
Het feit dat hij werd aanvaard, is beslist mede te danken aan het
bestaan van perkament dat, in tegenstelling tot papyrus, in scherpe
plooien kan worden gevouwen zonder te breken, en dat in gevouwen
toestand aan beide zijden beschreven kon worden. Het denkbeeld van het
boek bestaat al bijna a1 1700 jaar en is als draagbaar en feilloos "
systeem om informatie terug te vinden" nooit verbeterd. De veer
Ook perkament met zijn gladde oppervlak dat zo bevorderlijk is voor
fijne, kleine letters, heeft waarschijnlijk bijgedragen tot de ingang
van de penneveer, gemaakt van de sterkte vleugelpennen van een gans of
een andere grote vogel. Een veer is taaier dan een gespleten riet - in
samenstelling verschilt hij niet veel van een menselijke vingernagel -
en hij kan kleine letters heel fijn schrijven gedurende tamelijk lange
perioden zonder bijgeslepen te worden. De ganzenpen werd al gauw het
meest gewilde en algemeen gebruikte schrijfinstrument en bleef tot de
massaproductie van de stalen pen in de 19de eeuw. De Schriftvormen Romeinse letters
De Romeinen ontwikkelden een serie alfabetten die beantwoordden aan de
behoeften van elk levensaspect. Bovenaan staat de majestueuze capitalis
monumentalis. Voornamelijk ontworden voor gebruik bij inscripties.
De formele kapitaalalfabetten leenden zich niet voor snel schrijven met
de hand en er werd een sneller neergeschreven cursieve hoofdletter van
afgeleid, gevolgd door een minuskelversie met verbindingslussen boven
en onder de schrijflijn. De formele capitalis monumentalis volgde de
Griekse regel om de lettervormen te baseren op een geometrisch raamwerk
van vierkant, en de cirkels en halve cirkels die erin passen. Tegen de
1ste eeuw n.Chr. waren al deze schrijfstijlen in heel het Romeinse Rijk
universeel geworden. Verluchting door kloosterlingen

Het portret van de middeleeuwse monnik Eadwine, met ganzepen in
zijn rechterhand en een pennenmesje (om de veer te scherpen) in zijn
rechterhand, verklaart in de inscriptie rondom dat hij "De prins der
schrijvers" is.
Na de ondergang van het Romeinse Rijk was het de christelijke kerk die
de schrijfkunst levend hield. Vooral het Ierse kloosterleven droeg
sterk bij tot de conservatie en bevordering van het christelijke
alfabetisme in Noord-Europa; en we kennen een typische Ierse
half-unicale lettervorm die gebruikt werd om de Evangeliën over te
schrijven, waarin niet alleen de Romeinse herkomst te herkennen is maar
ook nieuwe invloeden - zoals de geheimzinnige toversymbolen van de
Teutoonse runen. Karolingische minuskel
Naast de uncialen en half-unicialen uit de verschillende Europese
centra van geleerdheid kwam er tevens een wirwar van landelijke
schriften op.
Dergelijke nationale idiosyncrasieën zouden wellicht hebben blijven
bestaan en steeds apartere alfabetische stijlen hebben geproduceerd,
ware er niet de krachtige, éénmakende macht die werd uitgeoefend door
keizer Karel de Grote (742-814) die, over het grootste Europese rijk
sinds de ondergang van het Romeinse rijk regeerde. Hijzelf was niet
alleen een volmaakt staatsman en legerbevelhebber maar hij was ook
hartstochtelijk toegewijd aan de zaak van het Christendom en de
Romeinse beschaving, en vastbesloten om de bijna vergane Romeinse
kunsten van wetenschap en cultuur nieuw leven in te blazen. Tot de
grote reeks van zijn prestaties op cultureel gebied, door zijn
schrijvers, ten behoeve van het kopiëren en herschrijven van klassieke
teksten, van een nieuwe schrijfstijl van een grote helderheid en
eenvoudige schoonheid, bij ons bekent als de Karolingische minuskel. Gotisch schrift
Langzamerhand werden er variaties gemaakt op de lettervormen van de
Karolingische minuskel, dikwijls uit economisch belang, en het zeer
gecomprimeerde en hoekige gotische schrift dat tegen de 13de eeuw was
verschenen, leek nog slechts in weinig opzichten op zijn voorganger.
Een compacte lettervorm kan het doen met amper een derde van de ruimte
van een ronde letter op het kostbare perkament of vellum, en kan
gemakkelijker te schrijven zijn, methodischer en gelijkmatiger. Cursieven
Uit de stadsdelen en republieken van Italië trok de Renaissance op, en
daar zou een nieuwe schrijftrant het gotische schrift gaan verdringen.
In de jaren 1390 ontwikkelde Poggio Bracciolini een boekletter op grond
van Karolingische principes, die bekend werd als "littera antique" en
algemeen aanvaard werd voor het afschrijven van klassieke teksten. In
luttele decennia hadden de nieuwe "humanistische" schrijfwijzen het
gotisch vrijwel in heel Europa verdrongen (Al overleefde dit in een
gewijzigde vorm tot de 20ste eeuw in Duitsland); en de apart gevormde,
afgeronde Karolingische letters werden geleidelijk veranderd in een
ovale cursieve, "lopende" versie die we nu cursief noemen - een
voortreffelijk leesbaar, gelijkmatig en praktisch schrift dat nog
altijd wordt beschouwd als het hoogtepunt in de geschiedenis van het
westerse schuinschrijven. Papier en inkt
De
oude Egyptische uitvinding, papyrus, van meer dan 5000 jaar geleden,
bleef het meest verbreide praktische schrijf-"papier" gedurende de
oudheid. Leer was ook van ouds her gebruikt (de Dode-Zeerollen zijn
waarschijnlijk 's werelds beroemdste leren documenten) en de bereiding
ervan tot perkament (schapenvel) en vellum (kalfshuid) was door de Grieken veredeld.
De huid wordt eerst in ongebluste kalk gedoopt en haar en vlees worden
er afgekrabd, waarna hij strak over een raam getrokken wordt, bedekt
met krijt om overtollig vet te verwijderen, en vervolgens moet droegen.
Na verder afkrabben met een maanvormig mes wordt de huid van het raam
genomen en op maat gesneden. Het perkament kan aan weerszijden
beschreven worden en is veel soepeler en duurzamer dan de broze
papyrus.
Thans is papier echter het universele schrijfmateriaal en de vroegste
geschiedenis ervan is nog altijd in duister gehuld. Het werd
uitgevonden in China, misschien ergens rond 100 n.Chr., en eeuwen lang
werd het fabrieksgeheim angstvallig bewaard. Tegen de 8ste eeuw evenwel
was de techniek bekend geworden in de islamitische wereld, al was
fabricage en gebruik ervan pas tegen de 15de eeuw wijdverbreid.
Papier kan worden gemaakt van de meeste plantaardige vezelmaterialen,
maar na enig experimenteren hielden de Chinezen het in hoofdzaak bij
geweekte linnen vodden die gereinigd, gebleekt en tot brij vermalen
werden en daarna gemengd met water en tarwebloempasta. Deze waterige,
met vezels gevulde soep werd vervolgens op een vlak, met gaas bedekt
raam geschept zodat het overtollige water wegzakte en er een
gelijkmatige "mat" van in elkaar verstrengelde vezels achterbleef op
het gaaswerk. Dit vel werd er af geplukt, geperst en gedroogd. De
Europese papierfabricagetechnieken leken hier sterk op, hoewel er
geleidelijk verbeteringen in werden aangebracht.
Bij de moderne papierfabricage worden grotendeels dezelfde beginselen
gevolgd. De meest voorkomende bronnen van het vezelachtige
grondmateriaal dat voor alle papiersoorten nodig is, zijn houtpap,
vodden (inclusief ruw katoen) en oud papier en elk daarvan draagt
individuele eigenschappen bij aan het gerede papier. Zo produceert
zachthout-pulp bijvoorbeeld lange vezels die het papier sterk maken
terwijl hardhout korte vezels met minder sterkte produceert die echter
meer consistentie en volume geven. Vulmiddelen, lijm en kleurstoffen
worden toegevoegd om een grote verscheidenheid van afzonderlijke
kwaliteiten, structuren en gewichten te krijgen.
De eersten inkten waren een combinatie van een soort koolstof
(doorgaans fijn roet zoals lampzwart) met water en gom of lijm. Een
bekender mengsel uit de middeleeuwen en daarna (al was het gebruik
sinds op z'n minst de 12de eeuw) werd gemaakt van galluszuur, een
kristallijnen substatie die uit galappels wordt verkregen, de gezwellen
op eikenbomen die teweeg gebracht worden door de eitjes die de galwesp
op de bast legt. Het zuur werd met water uit de gedroogde galappeltjes
geweekt en gemengd met een oplossing van ijzerzouten die de kleurloze
vloeistof purperachtig zwart maakten. Dit verbleekte soms tot de bruine
kleur die we aantreffen in oude verluchte manuscripten zoals het Books
of Kells. Moderne schrijfinkten zijn oplossingen van synthetische
kleurstoffen, waaraan soms ijzerzouten en zouten van andere metalen
worden toegevoegd om ze permanent te maken. Ze bevatten ook een hele
reeks andere toevoegingen zoals fungiciden om biotische ontwikkeling in
de inktpot of het penreservoir te voorkomen, chemicaliën om corrosie
van de metalen delen van de pen tegen te gaan en oppervlakteactieve
stoffen om het vloeien van de inkt tegen te gaan of te bevorderen. Voor
balpennen worden inkten gebruikt die speciale sneldrogende
eigenschappen bezitten evenals een uitzonderlijke viscositeit en
permanentie. Deze bevatten vaak tien of meer ingrediënten en zijn wel
iets anders dan het oude, eenvoudige mengsel van roet, water en gom dat
hun stamvader is. Machinaal schrijven Het drukken
De beroepsschrijvers - tekenaars uit de middeleeuwen waren in gilden en
speciale onderwerpen georganiseerd, en daar alle boeken nog steeds met
de hand werden geschreven, domineerden ze overal de kunst van het lezen
en schrijven en wetenschap. In 1457 werden ze geconfronteerd met een
dodelijke bedreiging van hun status en bestaan - want in dat jaar
verscheen in het Duitse Mainz het eerste Europese mechanisch gedrukte
boek, als ontwikkeling van de uitvindingen van Johannes Gutenberg. Er
waren al enige tijd proeven genomen met het drukken in Europa, om te
beginnen met het overbrengen van de ontwerpen van een kalligraaf, in
spiegelbeeld, op een glad blok hout. Het hout rond de lettervormen werd
weggesneden, er werd inkt aangebracht op het overblijvende oppervlak
van de letters, en papier of vellum werd op het geïnkte oppervlak
gedrukt. Maar het werkdat er kwam kijken bij het uitsnijden van
voldoende letters om een heel boek te maken, bleef kolossaal.
Gutenbergs voornaamste verrichting was een methode te bedenken om,
letters in metaal te gieten zodat ze in grote hoeveelheden konden
worden geproduceerd van één stempel. Elke letter werd in spiegelbeeld
in een stalen letterstempel gegraveerd die op zijn beurt in een stuk
zacht koper geslagen dat onderin een houten vorm geplaatst was. Daarna
werd er gesmolten metaal in de vorm gegoten en als dit was afgekoeld,
kwam er een volmaakte omgekeerde reproductie van de letter in reliëf
tevoorschijn. Met één vorm konden er duizenden identieke exemplaren van
de letter worden vervaardigd.
Al gauw introduceerde William Caxton de nieuwe druktechniek in
Engeland, opende in 1475 te Westminster een drukpers en produceerde
Engelse vertalingen van klassieke werken. Koperplaat
Aanvankelijk probeerden de tekenaars met de pen gevormde letters na te
bootsen, maar hiervoor waren te veel, slechts weinig verschillende
tekens nodig en daarom maakten de letterstempel-graveurs ontwerpen die
gegraveerd waren in stenen monumenten van het oude Rome.
Een
nieuwe drukprocédé, de koperplaatgravure die gereproduceerd werd via de
intaglio-techniek die in het begin van de 15de eeuw ontwikkeld was als
een manier om illustraties te reproduceren, was de meesters zeer
behulpzaam bij het presenteren van hun individuele aanbiedingen en bij
het decoderen hiervan; en na verloop van tij d leidde het tot de
opkomst van die heel eigen handschriftstijl die in heel Europa werd
overgenomen en zo'n 400 jaar overheerste en die ook wel
"koperplaathandschrift" genoemd wordt.
Intaglio of diepdruk is het tegenovergestelde van het drukken van een
reliëfblok: het ontwerp wordt in een vlakke gepolijste koperplaats
gegraveerd, inkt wordt er overheen gesponsd en van het oppervlak
afgeveegd (zodat hij alleen in de groeven achterblijft), en als
bevochtigd papier op de plaat gedrukt wordt, neemt het een uiterst
scherpe en getrouwe weergave van zelfs de allerdunste gegraveerde
lijnen op.
De zorgvuldig versierde krulletters en ronde vormen met hun "dik en
dun" die uit dit procédé ontstonden, hebben veel te danken aan de
werkwijze van de graveur. Om deze vormen te kopiëren, moest de
schrijver een pen met een smalle punt gebruiken die soepel genoeg was
om de druk van zijn hand te reageren, en moest hij de vormen nabootsen
de gevergd werden door de voorbeeldafdrukken van de graveurkunst.
De ganzenpen was tot op zekere hoogte voor deze taken berekend.
Ondertussen bleef lezen en schrijven nog beperkt tot zeer weinigen:
sinds de 4de eeuw was de ganzenveer hèt schrijfgerei geweest voor
schrijver en geleerde. Maar er moest voortdurend aandacht aan besteed
worden en om te zorgen dat hij naar tevredenheid bleef werken. Pennen
Tegen
het midden van de 18de eeuw schiepen de toegenomen aantallen
geletterden een nieuwe vraag naar een eenvoudiger en duurzamer pen voor
gebruik in zaken en op school. Diverse lieden eisen de eer op de eerste
uitvinder van de metalen pen te zijn geweest, maar de
uitvinding vond pas echt ingang in het jaar 1830 toen er
gemechaniseerde pennenfabricagemethoden ontwikkeld werden, voornamelijk
in de nieuwe industriestad Birmingham. Het was het begin van een enorme
bedrijfstak, en de grote behoefte van het leren-lezen-en-schrijven
onder het volk, de ontwikkeling van nieuwe reclametechnieken en
prijsvoordelen van massaproductie hielpen allemaal mee aan de groei
ervan. Pennen uit Birmingham, in elke denkbare vorm, werden in vrijwel
ieder land ter wereld verkocht. Eén fabriek in Birmingham maakte en
verkocht ruim 400 verschillende penmodellen tegelijk. Er waren
herdenkingspennen, portretpennen, pennen met kogelpunten (een voorbode
van wat komen ging) en pennen met namen die herinneringen opriepen
zoals de beroemde "Pickwick", "Owl" en "Waverley".
De eerste moderne pennen 10de eeuwse vulpen
Er werden al in de 17de eeuw vele pogingen gedaan om de pen zijn eigen
ingebouwde inktreservoir te geven. De eerste bekende vermelding van een
vulpen gaat zelfs nog verder terug: de kalief Al-Mu'izz gaf zijn
ambachtslieden in de 10de eeuw opdracht er één te maken. De pen waarmee
ze tenslotte aankwamen, was van zuiver goud gemaakt, maar we weten niet
hoe goed hij schreef. Het was pas in de 19de eeuw, die gouden eeuw van
de mechanische uitvindingen, dat er vooruitgang geboekt werd in de
constructie van een vulpen die een betrouwbare inktstroom leverde. Het mechanische potlood
Tegelijkertijd maakte de toepassing van mechanische technieken dat het
potlood weer een tijdje langer mee kon. Het potlood zoals wij dat nu
gebruiken, werd uitgevonden in het midden van de 16de eeuw, na de
ontdekking van 's werelds eerste commerciële grafietmijn in Cumberland
in 1564. Het Engelse grafiet-kleimengesel was van zo'n zuivere
kwaliteit dat het al gauw een verkoopbaar artikel en een welvarende
industrie werd.
De hartstocht van het midden der 19de eeuw voor slimme mechanische
vindingen deed weldra een overvloed van verschillende soorten
vulpotloden ontstaan, gemaakt van zeer uiteenlopende materialen. In de
eenvoudigste soorten zat de schrijfstift in een buisje met één eind
strak in een metalen spiraal geduwd, die zelf verbonden was aan een
schuifje buiten het buisje; en dit schuifje kon het hele buisje langs
op en neer geschoven worden om de voor het schrijven benodigde lengte
stift naar buiten te duwen. Tot de andere mechanismen behoorde een
draaiend onderdeel van het buisje zelf dat een draaibaar staafje met
schroefdraad binnenin in werking stelde, dat de stift opschoof. Bij een
derde systeem hield een verend bekje aan de punt van het potlood de
stift op zijn plaats. Dikwijls zat er ook een reservoir voor
reservestiften in deze potloden alsmede een gommetje. De mechanismen in
veel moderne vulpotloden zijn gebaseerd op precies dezelfde principes. Constructie en technologie verbeten de vulpen
De eerste vulpenmodellen slaagden er intussen minder goed in de
essentiële constructieproblemen te overwinnen: het verkrijgen van een
"geregeld lek", een gelijkmatige inktvloeiing zonder "overstromingen".
De meeste van die modellen werden gevuld door inkt in hun reservoirs te
doen met een druppelaar. Er werden veel "zelfvullende" mechanismen
ontworpen, waaronder diverse soorten zuigers in een luchtdichte
cilinder, een rubber buisjes die met de hand of een hefboompje worden
samengeknepen om de inkt in het reservoir op te zuigen.
Lewis Edson Waterman was de eerste (in 1884) die met een praktische
vulpen kwam die zeer populair werd. George S. Parker die tegen de jaren
'30 de toonaangever was geworden van de Amerikaanse vulpenindustrie,
begaf zich al in het begin van de eeuw op dit terrein na gedwongen
geweest te zijn de onbevredigende pennen te veranderen die geleverd
werden aan zijn leerlingen aan de School voor Telegrafie in Janesville,
Wisconsin. Tot 1924 werden de reservoirs van de meeste pennen gemaakt
van een hard rubber dat zijn vorm en schroefdraad kreeg op een
handbediende draaibank. In dat jaar kwam er echter een nieuwe kunststof
beschikbaar in een groot aantal kleuren en combinaties, en dat had een
grote uitwerking op het uiterlijk van pennen. Rond 1920 begonnen de
fabrikanten tevens het verbijsterende scala aan uiteenlopende modellen
te verkleinen. Zo bracht Parker zijn vierhonderd of meer modellen terug
tot nog geen dertig toen hij in 1922 met zijn "Duofold" kwam. De meeste
kwaliteitsschrijfbehoeften werden tegen die tijd gemaakt door de grote
vier van de pennenindustrie: Waterman, Parker, Sheaffer en Wahl (de
"Eversharp"). Er kwam geen fundamentele technische verbetering tot 1941
toen Parker zijn "51" introduceerde. Bij deze vulpen was de pen zelf
gedeeltelijk bedekt door een speciaal kapje waardoor er een inkt
gebruikt kon worden die een snel verdampend oplosmiddel bevatte, en zo
schreef deze pen dus droog met een natte inkt. De andere fabrikanten
volgden weldra met pennen die van soortgelijke principes uitgingen. Modern schrijfgerei Balpen
Hoewel de balpen in wezen een 20ste-eeuw verschijnsel lijkt te zijn,
gaat zijn principe toch terug tot tenminste het jaar 1880, toen John L.
Loud patent nam op een pen die bedoeld was als merkpen voor dozen en
ruwe oppervlakken. Het voornaamste probleem bij de eerste pennen was
een inkt te vinden met de juiste viscositeit; die moest minder vlot
vloeien dan traditionele schrijfinkt. In 1945 kwam een industrieel uit
Chicago, Middleton Reynolds, als eerste op de markt met een serie
gemaakte balpen (hij was in staat om gebruik te maken van verbeterde
methodes, voor de fabricage van kogellagers, ontwikkeld gedurende de
Tweede Wereldoorlog); en rond vrijwel dezelfde tijd vond de Hongaarse
vluchteling Laszio Biro in Argentinië zijn eigen versie uit. In beide
gevallen was het mechanische principe heel eenvoudig: binnen in de punt
die de ronde kogel vasthoudt, zitten piepkleine groefjes en kanaaltjes,
en de inkt wordt onder druk of anderszins langs deze kanaaltjes
toegevoerd naar het draaiende kogeltje. De inkten op oliebasis waren
echter niet goed genoeg; ze droogden nooit helemaal op het papier en ze
hadden de neiging om in fel licht te verbleken. Moderne verbeteringen
hebben deze problemen overwonnen en bij de huidige balpennen zijn de
inkten gebaseerd op oplosmiddelen van glycol of een mengsel van
aromatische alcohols en veelbasische ethers. De zogenaamde "zwevende
kogel" -pen is een mechanische verfijning van het balpen principe
waarbij gebruik gemaakt wordt van moderne
machinale-fabricagetechnieken, en is samen met de schrijfpunt en het
inktreservoir een wegwerpartikel. Vulpen
Ook vulpennen zijn sinds de jaren '40 ontwikkeld en verbeterd, vooral
door de noodzaak om het nieuwere en goedkopere schrijfgerei de weg te
versperren. De belangrijkste fabrikanten passen verschillende middelen
toe om de aloude problemen op te lossen -lekken, overstromen, opdrogen
- en de vulmethoden zijn sterk verbeterd. Veel pennen, hebben een
eenmalig inktreservoir, een "patroon"; en bij sommige kan de eigenaar
kiezen tussen deze methode of de meer traditionele tank die gevuld
wordt door een vacuumdruksysteem, die op de plaats van het patroon kan
worden gezet. Vezelpunt
Een nieuwe pen die in de laatste vijftien jaar opkwam, is de viltpunt
of vezelpunt, en er wordt een grote verscheidenheid van modellen
gemaakt. In wezen belichamen ze een principe dat in niets verschilt van
het rietpenseel der oude Egyptenaren; een absorberend materiaal (vaak
een synthetisch polymeer waarvan de poreusheid nauwkeurig te regelen
is) wordt gevuld met inkt die door capillaire werking naar de punt
wordt getrokken. Net als het rietpenseel is de vezelpunt heel vlug op;
en de betere kwaliteiten zijn- net als bij balpennen- opnieuw te vullen
door een "refill" in de penhouder te doen die de hele schrijfeenheid
bevat. Maar vezelpunten zijn nu heel gewild, zowel voor het
gespecialiseerde tekenwerk als voor gewoon schrijven. Ze hebben een
hechting aan het papier zoals de balpen nooit heeft gehad. Naald
Tot het andere schrijfgerei dat voor industriële ontwerpen en ander
artistiek werk wordt gebruikt, hoort de naaldpen, zoals bijvoorbeeld
gemaakt door de Duitse firma rotring. Hij is voornamelijk bedoeld voor
het trekken van fijne lijnen van gelijkmatige dikte. Hij heeft een
stijve punt die bestaat uit een dun buisje met enigszins afgerond eind
waar binnenin een fijn pennetje zit om de inktpatroon tegen te gaan.
Bij modern schrijfgerei worden er dus vier soorten vindingen
gebruikt om de inkttoevoer te regelen. De eerste is de formulering van
de inkt. Die kan dikker en viskeuzer gemaakt worden zoals bij
balpennen, of van een vluchtige vloeistof op alcoholbasis die opdroogt
bij contact met de lucht zoals bij vilt- of vezelpunt. Ten tweede: de
opening waardoor de inkt ontsnapt, kan kleiner gemaakt worden, en
moderne fabricage technieken hebben het mogelijk gemaakt openingen met
microscopische mate van nauwkeurigheid te maken voor alle soorten
pennen. Ten derde kunnen er slimme dingetjes in het reservoir gestopt
worden om de oppervlakten te vergroten waarlangs de inkt moet gaan op
zijn weg naar de punt, en om zodoende de snelheid der capillaire
aantrekking te regelen. Deze methode wordt toegepast bij moderne
vulpennen.
Tenslotte kan de inkt worden opgeslagen in een sponsachtig materiaal
waarvan de poreusheid - en de snelheid waarmee het de inkt laat gaan -
nauwkeurig berekend kan worden zoals in het geval van vezelpuntpennen.
Maar ondanks alle geweldige technische verbeteringen gaan al onze
moderne pennen in al hun verscheidenheid nog steeds uit van de
principes van de schrijfstokken van onze voorouders. |